| ZONDAG 41 |
|
| |
|
Vr.108.
Wat leert ons het zevende gebod?
|
Antw.
Dat alle onkuisheid van God vervloekt is, en dat wij
daarom, haar van harte vijand zijnde, kuis en ingetogen leven
moeten |
| |
|
Vr.109. Verbiedt
God in dit gebod niet meer dan echtbreken en
dergelijke schandelijkheden? |
Antw. Dewijl
ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes
zijn, zo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom
verbiedt Hij alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten,
lusten, en wat den mens daartoe trekken kan |
| |
|
| ZONDAG 42 |
|
| |
|
| Vr.110.
Wat verbiedt God in het achtste gebod? |
Antw. God
verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de overheid straft; maar
Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes
naasten goed denken aan ons
te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met
vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God
verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting
Zijner gaven |
| |
|
| Vr.111.
Maar wat gebiedt u God in dit gebod? |
Antw.
Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele,
als ik wilde dat men met mij handelde;
daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen
moge |
| |
|
| ZONDAG 43 |
|
| |
|
| Vr.112.
Wat wil het negende gebod? |
Antw. Dat
ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand
zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk
en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen,
als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik den zwaren toorn Gods
op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen
de
waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns
naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevorder |
| |
|
| ZONDAG 44 |
|
| |
|
| Vr.113. Wat
eist van ons het tiende gebod? |
Antw. Dat ook de
minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome,
maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en
lust tot alle gerechtigheid hebben |
| |
|
Vr.114. Maar
kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze
geboden volkomenlijk houden? |
Antw. Neen
zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit
leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid ;
doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar
naar al de geboden Gods beginnen te leven |
| |
|
Vr.115.
Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de
tien geboden
prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? |
Antw. Eerstelijk
opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe
langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de
vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.
Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de
genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld
Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na
dit leven geraken |
| |
|
| ZONDAG 45 |
|
| |
|
| Vr.116. Waarom
is het gebed den Christenen van node? |
Antw. Daarom
dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is,
welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en den
Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten
zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken |
| |
|
Vr.117. Wat
behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en
van Hem verhoord wordt? |
Antw. Eerstelijk
dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in
Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons
geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere dat wij onzen nood
en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht
Zijner majesteit verootmoedigen,.Ten derde dat wij dezen vasten grond hebben
dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren
Christus' wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd
heeft |
| |
|
| Vr.118. Wat
heeft ons God bevolen van Hem te bidden? |
Antw. Alle
geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de
Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft. |
| |
|
| Vr.119. Hoe
luidt dat gebed? |
Antw. Onze
Vader, Die in de hemelen zijt.
1. Uw Naam worde geheiligd.
2. Uw Koninkrijk kome.
3. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
4. Geef ons heden ons dagelijks brood.
5. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen
schuldenaren.
6. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.
Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.
Amen. |
| |
|
| ZONDAG 46 |
|
| |
|
Vr.120. Waarom
heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken:
Onze Vader? |
Antw. Opdat Hij
van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze
en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn,
namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel
minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan
onze vaders ons aardse dingen ontzeggen |
| |
|
| Vr.121. Waarom
wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt? |
Antw. Opdat
wij van de hemelse majesteit Gods niet aards gedenken, en van Zijn almachtigheid
alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten |
| |
|
| ZONDAG 47 |
|
| |
|
Vr.122. Welke
is de eerste bede?
|
Antw.
Uw Naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk dat wij U recht
kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid,
gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen
en prijzen; daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken,
alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar
geëerd en geprezen worde |
| |
|
| ZONDAG 48 |
|
| |
|
| Vr.123.
Welke is de tweede bede? |
Antw. Uw
Koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat
wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder Uw Kerk;
verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U
verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht
worden; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome |
| |
|
| ZONDAG 49 |
|
| |
|
| Vr.124.
Welke is de derde bede? |
Antw. Uw
wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.Dat is: Geef dat
wij en alle mensen onzen eigen wil verzaken , en Uw wil, die alleen goed
is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn ; opdat alzo een iegelijk zijn
ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren,
als de engelen in den hemel doen |
| |
|
| ZONDAG 50 |
|
| |
|
| Vr.125. Welke
is de vierde bede? |
Antw.
Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft
des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat Gij de enige Oorsprong
alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder
Uw zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen
aftrekken en op U alleen stellen |
| |
|
| ZONDAG 51 |
|
| |
|
| Vr.126. Welke
is de vijfde bede? |
Antw.
Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen
schuldenaren. Dat is: Wil ons, armen zondaren, al onze misdaden, en ook
de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus wil niet
toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat
ons ganse voornemen is onzen naaste van harte te vergeven |
| |
|
| ZONDAG 52 |
|
| |
|
| Vr.127. Welke
is de zesde bede? |
Antw. Leid
ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.
Dat is: Dewijl wij van onszelven zo zwak zijn, dat wij niet een
ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden,
de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten;
zo wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes,
opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken
wederstand doen, totdat
wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden |
| |
|
| Vr.128. Hoe
besluit gij uw gebed? |
Antw. Want
Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.
Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en
aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt,
en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwiglijk geprezen
worde |
| |
|
| Vr.129. Wat
beduidt het woordeken: Amen? |
Antw. Amen
wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder
van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem begeer |
| |
|