| ZONDAG 31 |
|
| |
|
| Vr.83. Wat
zijn de sleutelen des hemelrijks? |
Antw. De
verkondiging des heiligen Evangelies en de Christelijke
ban of uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee
stukken het hemelrijk den gelovigen opengedaan en den ongelovigen toegesloten
wordt. |
| |
|
Vr.84. Hoe
wordt het hemelrijk door de prediking des heiligen
Evangelies ontsloten en toegesloten? |
Antw. Alzo,
als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen,
allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo
dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen,
waarachtelijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus wil,
vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte
bekeren, verkondigd en betuigd wordt dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis
op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren, naar welk getuigenis des
Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven. |
| |
|
Vr.85. Hoe
wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den
Christelijken ban? |
Antw. Alzo,
als, volgens het bevel van Christus, degenen, die
onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren,
nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun
dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of
dengenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden;
en, zo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden
der Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van God Zelven uit het
Rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidmaten van Christus
en Zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zij waarachtige betering beloven
en bewijzen |
| Van de dankbaarheid,
die men Gode voor de verlossing schuldig is |
|
| |
|
| ZONDAG 32 |
|
| |
|
Vr.86. Aangezien
wij uit onze ellendigheid, zonder enige
verdienste onzerzijds, alleen uit genade door Christus verlost zijn,
waarom moeten wij dan nog goede werken doen? |
Antw. Daarom,
dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft,
ons ook door Zijn Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij
ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen, en Hij
door ons geprezen worde. Daarna ook, dat elk bij zichzelven van zijn geloof
uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onzen godzaligen wandel onze
naasten ook voor Christus gewonnen worden |
| |
|
Vr.87. Kunnen dan die niet
zalig worden, die, in hun goddeloos
ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren? |
Antw. In
generlei wijze; want de Schrift zegt dat geen onkuise,
afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar,
noch rover, noch dergelijke, het Koninkrijk Gods beërven zal |
| |
|
| ZONDAG 33 |
|
| |
|
Vr.88. In hoeveel stukken
bestaat de waarachtige bekering des
mensen? |
Antw. In
twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de
opstanding des nieuwen mensen |
| |
|
| Vr.89. Wat
is de afsterving des ouden mensen? |
Antw. Het
is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben,
en die hoe langer hoe meer haten en vlieden |
| |
|
| Vr.90. Wat
is de opstanding des nieuwen mensen? |
Antw. Het
is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en
liefde om naar den wille Gods in alle goede
werken te leven |
| |
|
Vr.91.
Maar wat zijn goede werken?
|
Antw. Alleen
die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eer geschieden, en
niet die op ons goeddunken of op mensen-inzettingen gegrond zijn |
| |
|
| ZONDAG 34 |
|
| |
|
| Vr.92.
Hoe luidt de wet des Heeren? |
Antw.
God sprak al deze woorden, Ex.20:1-17, Deut.5:6-21: Ik ben de HEERE uw God,
Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Het eerste gebod
Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod
Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van
hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch
van hetgeen in de wateren onder de aarde is.Gij zult u voor die niet buigen,
noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad
der vaderen bezoek aan de kinderen, aanhet derde, en aan het vierde lid
dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die
Mij liefhebben, en Mijngeboden onderhouden.
Het derde gebod
Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de
HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Het vierde gebod
Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij
arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN
uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter,
noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling,
die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde
gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom
zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod
Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land,
dat u de HEERE uw God geeft.
Het zesde gebod
Gij zult niet doodslaan.
Het zevende gebod
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Het tiende gebod
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws
naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn
os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. |
| |
|
| Vr.93. Hoe
worden deze tien geboden gedeeld? |
Antw. In
twee tafelen; waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden;
de andere, wat wij onzen naaste schuldig zijn |
| |
|
| Vr.94.
Wat gebiedt God in het eerste gebod? |
Antw.
Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij , toverij,
waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van
andere schepselen, mijde en vliede, en den enigen waren God recht lere kennen,
Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hemalleen
onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe
, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late,
dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe |
| |
|
| Vr.95. Wat
is afgoderij? |
Antw. Afgoderij
is in de plaats des enigen waren Gods, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard
heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens
zijn vertrouwen zet |
| |
|
| ZONDAG 35 |
|
| |
|
| Vr.96. Wat
eist God in het tweede gebod? |
Antw. Dat
wij God in generlei wijze afbeelden, en op geen
andere wijze vereren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft |
| |
|
| Vr.97. Mag
men dan ganselijk geen beelden maken? |
Antw. God
kan en mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is
het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te
maken en te hebben, om die te
vereren, of God daardoor te dienen |
| |
|
Vr.98. Maar
zou men de beelden in de kerken als boeken der leken
niet mogen dulden? |
Antw. Neen;
want wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn Christenen niet door
stomme beelden, maar door de levende
verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben |
| |
|
| ZONDAG 36 |
|
| |
|
| Vr.99. Wat
wil het derde gebod? |
Antw. Dat
wij niet alleen met vloeken of met valsen eed, maar ook met onnodig zweren,
den Naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen
en toezien zulke
schrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij
den heiligen Naam Gods anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken, opdat
Hij van ons recht beleden, aangeroepen, en in
al onze woorden en werken geprezen worde |
| |
|
Vr.100. Is
het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken
te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als
hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden? |
Antw. Ja
gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die
God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met
den dood te straffen bevolen heeft |
| |
|
| ZONDAG 37 |
|
| |
|
Vr.101. Maar
mag men ook godzaliglijk bij den Naam Gods een eed
zweren? |
Antw. Ja,
als het de overheid van haar onderdanen, of anderzins
ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat
tot Gods eer en des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond,
en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt
geweest |
| |
|
Vr.102. Mag men ook bij
de heiligen, of bij enige andere
schepselen een eed zweren? |
Antw. Neen;
want een rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als Die alleen het
hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe, indien ik
valselijk zweer; welke eer aan geen
schepsel toebehoort |
| |
|
| ZONDAG 38 |
|
| |
|
| Vr.103. Wat
gebiedt God in het vierde gebod? |
Antw. Eerstelijk
dat de kerkedienst, of het predikambt, en de
scholen onderhouden worden, en dat ik, inzonderheid op den
sabbat, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome, om
Gods Woord te horen, de Sacramenten te gebruiken
, God den Heere openlijk aan te roepen, en den armenChristelijke handreiking
te doen; ten andere dat ik al de dagen mijns levens van mijn boze werken
ruste, den Heere door Zijn Geest in mij werken late, en alzo den eeuwigen
sabbat in dit leven aanvange |
| |
|
| ZONDAG 39 |
|
| |
|
| Vr.104.Wat
wil God in het vijfde gebod? |
Antw. Dat
ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij
gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede
leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook
met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode
belieft ons door hun hand te regeren |
| |
|
| ZONDAG 40 |
|
| |
|
| Vr.105. Wat
eist God in het zesde gebod? |
Antw. Dat
ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel
minder met de daad, door mijzelven of door anderen ontere, hate, kwetse
of dode; maar dat ik alle raakgierigheid aflegge; ook mijzelven niet kwetse
of moedwilliglijk in enig gevaar begeve; waarom ook de overheid het zwaard
draagt om den doodslag te weren |
| |
|
Vr.106.
Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te
spreken? |
Antw. God,
verbiedende den doodslag, leert ons dat Hij den wortel
des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles
voor een doodslag houdt |
| |
|
Vr.107. Maar
is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren
gezegd is, niet doden? |
Antw. Neen;
want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onzen naaste
liefhebben als onszelven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid,
barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als
ons mogelijk is, afkeren, en ook onzen vijanden goed doen |
| |
|