|
De Heidelbergse Catechismus
|
![]() |
| 1: Van des mensen ellende | |
| 2: Van des mensen verlossing | |
| 3: Van
de dankbaarheid, die men Gode voor de verlossing schuldig is |
|
| zondag 16-30 zondag 31-40 zondag 41-52 | |
| ZONDAG 1 | |
|
Vr.1. Wat
is uw enige troost, beide in het leven en sterven?
|
Antw. Dat
ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven niet mijn maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft en alzo bewaart dat zonder den wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt |
| Vr.2.
Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in
dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt? |
Antw. Drie
stukken Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde En ten derde hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn |
|
|
|
| 1: Van des Mensen ellende | |
| ZONDAG 2 | |
| Vr.3. Waaruit kent gij uw ellende? | Antw. Uit de wet Gods |
| Vr.4. Wat eist de wet Gods van ons? | Antw. Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Matth. 22:37-40: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten |
| Vr.5. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden? | Antw. Neen ik want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten |
| ZONDAG 3 | |
| Vr.6. Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen? | Antw. Neen Hij; maar God heeft den mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen |
| Vr.7. Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen? | Antw. Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden |
| Vr.8. Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? | Antw. Ja wij tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden . |
| ZONDAG 4 | |
| Vr.9. Doet dan God den mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? | Antw. Neen Hij want God heeft den mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen maar de mens heeft zichzelven en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd. |
| Vr.10. Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? | Antw. Neen Hij, geenzins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen |
| Vr.11. Is dan God ook niet barmhartig? | Antw. God is wel barmhartig maar Hij is ook rechtvaardig daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde. |
| Van des mensen verlossing | |
| ZONDAG 5 | |
| Vr.12. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? | Antw. God wil aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede daarom moeten wij aan haar, óf door onszelven, óf door een ander, volkomenlijk betalen |
| Vr.13. Maar kunnen wij door onszelven betalen? | Antw. In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder |
| Vr.14. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale? | Antw. Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft ten andere zo kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwigen toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen |
| Vr.15. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? | Antw. Zulk een, Die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is |
| ZONDAG 6 | |
| Vr.16. Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn? | Antw. Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde en dat een mens, zelf een zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen |
| Vr.17. Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn? | Antw. Opdat Hij, uit kracht Zijner Godheid den last van den toorn Gods aan Zijn mensheid zou kunnen dragen en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven |
| Vr.18. Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaaardig mens is ? | Antw. Onze Heere Jezus Christus Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is. |
| Vr.19. Waaruit weet gij dat? | Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs heeft geopenbaard en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld . |
| ZONDAG 7 | |
|
Vr.20. Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden? |
Antw. Neen zij maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen |
| Vr.21. Wat is een waar geloof? | Antw. Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil |
| Vr.22. Wat is dan een Christen nodig te geloven? | Antw. Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren. |
| Vr.23. Hoe luiden die Artikelen? | Antw. 1. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. 2. En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere; 3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; 4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; 5. ten derden dage wederom opgestaan van de doden; 6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; 7. vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. 8. Ik geloof in den Heiligen Geest. 9. Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen; 10. vergeving der zonden; 11. wederopstanding des vleses; 12. en een eeuwig leven. |
| ZONDAG 8 | |
| Vr.24. Hoe worden deze Artikelen gedeeld? | Antw.
In drie delen. Het eerste is van God den Vader en
onze schepping.Het andere van God den Zoon en onze verlossing. Het derde van God den Heiligen Geest en onze heiligmaking. |
| Vr.25.
Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is \@a\@,
waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heilige Geest? |
Antw.
Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft
dat deze drie onderscheidene Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn. |
| ZONDAG 9 | |
| Vr.26. Wat
gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde? |
Antw. Dat
de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al
wat er in is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwigen raad
en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert om Zijns Zoons Christus wil
mijn God en mijn Vader is op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel
of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en
ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren;
dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader |
| ZONDAG 10 | |
| Vr.27. Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods? | Antw. De
almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen |
| Vr.28. Waartoe
dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt |
Antw. Dat
wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen |
| ZONDAG 11 | |
| Vr.29. Waarom
wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker, genoemd? |
Antw. Omdat
Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij
niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is |
| Vr.30. Geloven
dan die ook aan den enigen Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelven, of ergens elders zoeken? |
Antw. Neen
zij; maar zij verloochenen met de daad den enigen Heiland Jezus, ofschoon zij met den mond in Hem roemen; want van tweeën één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is |
| ZONDAG 12 | |
| Vr.31. Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalfde, genaamd? | Antw. Omdat
Hij van God den Vader verordineerd is, en met den Heiligen Geest gezalfd, tot onzen hoogsten Profeet en Leraar, Die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft; en tot onzen enigen Hogepriester Die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met Zijn voorbidding steeds tussentreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoud |
| Vr.32. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd | Antw.
Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere |
| ZONDAG 13 | |
| Vr.33. Waarom
is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn? |
Antw. Daarom
dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om
Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen |
| Vr.34. Waarom noemt gij Hem onzen Heere? | Antw. Omdat
Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt |
| ZONDAG 14 | |
| Vr.35. Wat
is dat gezegd: Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria? |
Antw. Dat de eeuwige Zone Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes,aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde |
| Vr.36. Wat
nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? |
Antw. Dat
Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt |
| ZONDAG 15 | |
| Vr.37. Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? | Antw. Dat
Hij aan lichaam en ziel, den gansen tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve |
| Vr.38. Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden? | Antw. Opdat
Hij, onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde |
| Vr.39. Heeft
dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een anderen dood gestorven ware? |
Antw. Ja
het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft; dewijl de dood des kruises van God vervloekt was |